Personenmobiliteit

    In het Vlaamse mobiliteitsbeleid voor het personenvervoer staat het STOP-principe centraal. Verplaatsingen van personen gebeuren best eerst te voet, dan met de fiets, met het openbaar vervoer, het privaat collectief vervoer en ten slotte met de wagen. Daarnaast kunnen we het personenvervoer echter opdelen op basis van de verschillende vervoerspatronen, afgelegde afstand, tijdstip of motief van de verplaatsing. Gezien de samenstelling van de MORA krijgen de verplaatsingen in het kader van het woon-werkverkeer veel aandacht.

    Het openbaar vervoer is een van de belangrijkste pijlers van het duurzaam mobiliteitsbeleid in Vlaanderen. Voor het Vlaamse beleid inzake stads- en streekvervoer vormen het Decreet van De Lijn (31 juli 1990) en het Decreet Personenvervoer (20 april 2001) de decretale basis. Vijfjaarlijks worden de opdrachten van De Lijn vastgelegd in de beheersovereenkomst. De concretisering van het concept basisbereikbaarheid en de rol van De Lijn en andere actoren bij het invullen ervan is een belangrijk thema voor de MORA.

    Ook het spoorvervoer is een onmisbare schakel om de goede bereikbaarheid van Vlaanderen te blijven verzekeren. Hoewel het spoor een federale bevoegdheid is, vormt het een belangrijk instrument in het Vlaamse mobiliteitsbeleid. Een optimaal afgestemde werking tussen De Lijn, de NMBS en Infrabel is hierbij cruciaal.

    Maatschappelijke uitdagingen zoals onder meer het klimaat, de congestie en het energievraagstuk vragen een integrale beleidsaanpak van de personenmobiliteit. De MORA-commissie Personenvervoer besteedt dan ook aandacht aan het autogebruik en -bezit en de vele onderwerpen die met dit thema gelinkt zijn, zoals gedeelde mobiliteit of telewerken.